In oktober gingen we in het West-Vlaamse Oedelem kennismaken met de leerlingen en de teeltleiders van het Land- en Tuinbouwinstituut. Hoewel de school oorspronkelijk als landbouwschool werd opgestart, deed de richting tuinbouw toch haar intrede, en zelfs met groot succes.
Behalve voor tuinbouw kan je in Oedelem eveneens terecht voor de richtingen landbouw, natuur- en groentechnieken, en biotechnologische wetenschappen. Momenteel telt de school ongeveer 360 leerlingen verdeeld over 34 klassen en drie verschillende studieniveaus. Wij hadden een gesprek met praktijkdocent Tom Van den Abeele. Hij was zelf ooit actief als tuinaannemer, maar omwille van gezondheidsredenen besloot hij een carrièreswitch te maken naar het middelbaar onderwijs als vakdocent. Hier staat hij in voor de theoretische en praktische vakken van het vijfde, zesde en zevende jaar.
Tom Van den Abeele: ‘Onze school biedt een gamma van verschillende opleidingen en dat op drie verschillende studieniveaus. Je hebt enerzijds ‘arbeidsfinaliteit’, beter bekend als de beroepsrichting waar men leerlingen klaarstoomt om na hun middelbare school onmiddellijk aan het werk te gaan. Anderzijds heb je ‘dubbele finaliteit’ waar je zowel mee kan doorstromen naar het hoger onderwijs als rechtstreeks aan het werk kan gaan. Daarnaast heb je ook nog de ‘doorstroom’-richting waar je wordt voorbereid op verdere studies.’
Tom: ‘Onlangs werd er vanuit de overheid beslist dat afgestudeerden van het zevende jaar beroeps geen technisch diploma zullen hebben na het afstuderen. Ze krijgen wel een bewijs van beroepskwalificatie. Het belang daarvan is vooral gerelateerd aan de bijkomende beroepsgerichte competenties die leerlingen verwerven en die een meerwaarde vormen om aan de bak te komen op de arbeidsmarkt. Met het bewijs van beroepskwalificatie alleen kan een afgestudeerde leerling niet starten aan een opleiding aan de universiteit of hogeschool. Dat vinden we bijzonder spijtig en is ook moeilijk te begrijpen. Je hebt namelijk altijd wel enkele leerlingen die ondanks hun beroepsrichting toch doorstromen naar groenmanagement of tuinarchitectuur.’
Tom: ‘Voor mij is het belangrijk dat leerlingen tijdens de praktijkuren zelf aan de slag gaan, zoals in het echte leven. Net daarom hebben we het schooldomein ingedeeld volgens de ervaring van de klasgroepen: inventariseren, opvolgen, bijplanten, registreren, voorstellen doen inzake verbetering etc. Het zesde jaar mag met de machines werken terwijl een derdejaarsleerling dat bijvoorbeeld nog niet mag. Het is door de leerlingen enige vorm van verantwoordelijkheid te geven dat je snel kan onderscheiden wie het best welke rol op de werkvloer zal opnemen.’
Tom: ‘De school zelf geeft ook verschillende gecertifieerde opleidingen zoals bijvoorbeeld het volgen van een G-rijbewijsopleiding. Dit gaat via een externe organisatie, maar vindt plaats op school. Er zijn verschillende collega’s die de opleiding hebben genoten en dus ook die rijlessen kunnen geven. Een collega en ikzelf geven minigraverlessen aan de zevendejaars. We bieden deze opleiding vrijblijvend aan, maar dit tegen een scherpe prijs. Als leerlingen deze opleiding extern willen gaan volgen, kost ze een pak meer. De arbeidsmarkt vraagt meer bekwame vakmensen waardoor een dergelijk certificaat in het voordeel van de leerlingen speelt.’
Tom: ‘Tijdens de stages krijgen leerlingen vaak mooie kansen om bij hun stagebedrijf aan de slag te gaan, mede door de sterke vraag naar medewerkers in de sector. Daarnaast zie ik dat openbaar groen steeds belangrijker wordt. Mensen kiezen tegenwoordig vaker voor compacte, onderhoudsvriendelijke tuinen, wat zorgt voor een grotere vraag naar creatieve en duurzame manieren van aanleg. Met de stijgende kosten in de sector vinden we het belangrijk om onze leerlingen goed voor te bereiden, zodat ze tijdens hun stages een brede waaier aan ervaringen opdoen. In het vijfde jaar ligt de nadruk op tuinonderhoud, terwijl het zesde jaar meer focust op aanleg.’
Tom: ‘In het zesde jaar groenaanleg en beheer A-finaliteit krijgen leerlingen de kans om in groepen van drie à vier personen een tuinproject van A tot Z uit te voeren. Ze werken aan een tuin van ongeveer 100 m2, die ze verfraaien met elementen zoals een terras, pad, klinkerboorden, beplanting, gazon, vijver, pergola of houten constructie voor klimplanten. Dit project, dat in september start als onderdeel van hun GIP, vereist dat ze de tuinen klaarzetten volgens de regels van de kunst en met alle benodigde machines. Voorafgaand scheren ze hagen, leggen het gazon aan en plaatsen de klinkerboorden. Gedurende het schooljaar onderhouden de leerlingen de tuin verder door te maaien, te bemesten en onkruid te bestrijden.’
‘Tijdens het schooljaar wordt extra aandacht besteed aan de theoretische kant van de opleiding: leerlingen stellen een stappenplan op, maken taken- en plantenlijsten, en ontwikkelen een kostprijsberekening en onderhoudsplan. Bij slecht weer of in de wintermaanden scheuren en stekken de leerlingen planten, zodat ze deze later kunnen gebruiken in hun eindwerk. Voor de materialen en planten zoeken ze doorgaans zelf sponsoring.’
Tom: ‘We vinden het belangrijk dat onze leerlingen zo dicht mogelijk bij de praktijk staan. Daarom nodigen we regelmatig externe experts uit voor lezingen en workshops, bijvoorbeeld over het onderhoud van sportvelden. Ook organiseren we demonstraties van nieuwe machines, zodat leerlingen op de hoogte blijven van de laatste technieken. We proberen ook heel wat bedrijfsbezoeken te doen doorheen het schooljaar. Al deze activiteiten dragen voor mij bij aan het versterken van hun vaardigheden en praktijkervaring.’
Tom: ‘Hier op school is er elke dag een verkoop van stekplanten, groenten, fruit enzovoort. Dit zijn steeds producten van eigen kweek. Je kan deze via de daarvoor voorziene website bestellen of langskomen in ons winkeltje op school dat elke dag in de namiddag open is. De leerlingen en teeltleiders zijn hiervoor verantwoordelijk.’
Tom: ‘We beschikken over eigen machines, maar voor de grote machines werken we inderdaad met een bruikleensysteem. Het is belangrijk dat leerlingen kennismaken met recente machines, zodat ze goed op de hoogte zijn van de nieuwste ontwikkelingen en innovaties op de markt. Daarom proberen we samenwerkingen aan te gaan met dealers en merken. Dit is iets waarop we graag nog meer willen inzetten. Vanaf januari 2025 zal een aantal machines worden vervangen. Dit kan binnen de school echter een uitdaging zijn, omdat zulke aankopen vaak in overleg met meerdere partijen gebeuren. Wat onderhoud betreft, proberen we zoveel mogelijk zelf te doen tenzij voor complexere problemen.’
Tom: ‘Sinds enkele jaren vangen we ook tijdens het groenonderhoud alle vallende bladeren van de bomen op. Die worden dan gemulcht om ze nadien als organische meststof te gebruiken in onze plantenvakken. Zo wordt onder andere gewerkt volgens het agro-ecologische principe. Op school passen we zo weinig mogelijk onkruidbestrijding toe. Toch moeten de leerlingen hier kennis van opdoen en wordt geleerd hoe ze correct met fytoproducten kunnen omgaan, maar vooral hoe ze hierover gericht info kunnen opzoeken.’
Tom: ‘We stellen op bepaalde momenten tijdens het jaar de deuren open voor alle laatstejaars van de lagere scholen uit de directe omgeving. Hierdoor kunnen ze op een creatieve en actieve manier kennismaken met onze school. Dat levert ons iedere keer nieuwe inschrijvingen op. Tijdens deze doe-dagen begeleiden onze eigen leerlingen de leerlingen van het zesde leerjaar.
Naast onze opendeurdag worden vaak externe initiatieven georganiseerd op school. Zo zal de West-Vlaamse plantendag in 2025 plaatsvinden in Oedelem. En elk jaar verwelkomen we Velt voor de zadenruilbeurs.’
Tom: ‘Dat klopt. Medio mei 2024 haalden onze leerlingen de eerste prijs bij de wedstrijd van de ‘Beloftevolle Hovenier 2024’, een wedstrijd die elk jaar georganiseerd wordt door de federatie van groenvoorzieners ‘Pro4Green’. Onze school neemt al elf jaar deel. We wisselen ook elk jaar tussen de leerlingen van de arbeids- en van de dubbele finaliteit om ons team samen te stellen. Voor mij was het dit jaar de derde keer dat ik dit als docent mee mocht begeleiden en ondersteunen. Ik ben er echt heel trots op om als docent samen met onze leerlingen een prijs in ontvangst te mogen nemen.’
Tom: ‘Onlangs ging ik naar een lezing waar ons de 3/30/300-regel voor stadsnatuur werd toegelicht. Als je binnenshuis zit, moet je vanuit jouw huis drie bomen zien, gevolgd door 30% kroonbedekking in de open ruimte. Binnen de 300 meter moet je toegang hebben tot een park of groene ruimte. Het zijn echt duidelijke richtlijnen dat er meer en meer groen zal bijkomen, hetgeen resulteert in meer werk voor de tuinaannemers.’
Tom: ‘Ik hoop dat dit in stijgende lijn zal gaan. Het belang van de groensector komt meer en meer naar voor sinds er zo veel aandacht gehecht wordt aan het vergroenen van steden, zoals beschreven in de nieuwe 3/30/300-regel. Daarnaast is kennis van zaken, zowel voor de publieke sector als de privésector, een must om het groen aan te leggen én te onderhouden. Mensen vergeten vaak dat groene ruimtes een positieve invloed hebben op hun mentale gezondheid. We moeten ook niet vergeten dat er ook in onze sector, net als op de bredere arbeidsmarkt, een groot tekort aan arbeidskrachten is. Het stemt ons dus hoopvol dat we elk jaar opnieuw heel wat zij-instromers hebben in de derde graad. Deze leerlingen kiezen heel bewust voor een richting bij ons op school. Zo kunnen wij samen mee vorm geven aan de toekomst van de tuinbouwsector.’